NIEUWS- EN AD-
.'.Ki?
VERTENTIEBLAD.
1876
Vijftiende Jaargang.
No 1.
BINNENLAND.
if Pi
Bij ’t begin
DONDERDAG 6 Januari].
BUITEIWIjANII, zie pag. 4.
ABONNEMENTSPRIJS: 80 Cents per 3 maanden.
Franco per post 95 Cents.
ADVERTENTIEPRIJS: 50 Cis. van 1—7 regels. Vervol-
sens 10 Cent per regel Overigens naar plaatsruimte.
Uit Cheribon wordt geschreven: «Wij hebben
hier een aardbeving gehad als deze streken in
jaren niet geteisterd heeft. Vóór ons ligt een
vuurspuwende bergdie sedert 30 jaar in rust
was, en dus niets kwaads deed vermoeden. Maan
dag 3 November, terwijl ik bezig was mij te
kleeden, overviel mij eensklaps een vreemd, zon
derling gevoel en hoorde ik een donderend ge
raas. Ik verstijfde van schrik, ik voelde den
grond onder mij golven en toch had ik nog niet
de minste gedachte aan aardbeving. Mijn dienst
bode bleek als een lijk, snelde de kamer binnen
en sleepte mij er uit. Buiten gekomen zag ik
ieder met den doodsangst op het gelaat.
Een onbeschrijfelijk fijne aschregendie het
licht verduisterde en alles in nevelen hulde, dwar
relde in dikke wolken uit den plotseling in wer
king gekomen vulkaan neder. Ik kon niet meer
zoek leidde tot zekerheidtot waarheid en
waarheid is meer dan stof. Kreeg dan ook
het streven van velenvan de meerderheid
misschien, een materialistische strekking, ’t is
al weer een gevolg van het misbruik, dat ook
van het beste gemaakt kan worden.
Geluk en zegenneen die kunnen van ’t
stoffelijke alleen niet verwacht worden. Wij
kinderen der 19de eeuwals we ons harer
waardig willen toonenzullen ze daarin niet
zoeken. Zoo ooitdan wordt nu de waar
heid verkondigddat de geest meer is dan
de stof, dat de geest moet heerschen over de
stof. Erkennen we dit als waarheid, danmoet
ons leven en streven in overeenstemming met
die erkenning zijn en geluk en zegen zullen
niet uitblijven.
Ons leven en streven, ook het streven der
Bolswardsche Courant. Óch, dat kleine blaadje,
dat maar eens in de week zich in zoo kleinen
omtrek vertoont? Ja, wat zal daarvan gezegd
worden, ’tIs ook al de 19de eeuw, die de
couranten in de mogelijkheid steldezich het
regt te verwerven om mee te spreken en er
zijn erwier meespreken een belangrijken in
vloed uitoefent. De courant is de bondgenoote
van onderzoek en openbaarheid en als zooda
nig heeft zij een roeping te vervullen. Voor
de een is die van grooter beteekenis dan voor
de ander; die der Bolswardsche is zeker van
weinig, maar toch niet zonder gewigt. Soms
wordt ze niet begrepensoms worden haar
bedoelingen toegeschreven die ze niet heeft
en dan doet ze wel de ervaring op, dat er
zijn, die haar de magt om invloed uit te oefe
nen toekennen. Jaals haar strevenom
blinden de oogen te openen, duidelijk uitkomt,
wordt ze gescholden en zou men haar het regt
willen ontzeggen om te doen, wat men erkent
als het regt van de Tijdhet Huisgezinde
Standaard, de Banier e.d.g. De Bolswardsche,
hoe zwak haar wapen moge zijnmag zich
niet terugtrekken uit den strijdmaarhet
zij ze dwaasheden bespottelijk voorstelt of
dwalingen op meer ernstigen toon aantast, zij
wil eerlijk den strijd voeren en is afkeerig
van alle verdachtmaking en ongegronde oor
deelvelling. Wetende dat zij zeer verre van
onfeilbaar is, zal zij zich niet schamen, te er
kennen dat zij dwaaldewanneer zij daarvan
overtuigd wordt, maar ook overtuigd op goede
gronden. Onderzoek en openbaarheid huldigt
zij, omdat zij waarheid voor het hoogste houdt.
Dat zij daarom miskend wordt is wel smar
telijk, maar niet in staat om haar te ontmoe
digen. Voor eenige maanden werd bij haar
de verwachting opgewekt, dat men haar nu
eens op degelijke wijze zou overtuigen, hoe
vreeselijk zij soms dwaaltde gelegenheid
daartoe werd vermenigvuldigd, maar zij is in
die verwachting teleurgesteld en heeft nog niets
degelijks vernomen.
Lezersgij acht misschien deze inleiding
reeds te lang. Ochneemt er het uwe uit
en blijve ons streven in overeenstemming met
onze roeping. Gewerkt, zoo lang het dag is.
mim i»iu
Den 20 November werd te Batavia op het kerk
hof te Tanah-abangin tegenwoordigheid van Z.
Exc. den Gonverneur-Generaal en een menigte mi
litaire- en civiele autoriteiten het monument op
het graf van generaal Kohier onthuld.
Talrijk was de schare van officieren en burgers
die,.gevolg gevende aan de uitnoodiging der com
missie voor het grafteeken, zich vereenigd had.
De chef van de geneeskundige dienstde heer
M. Th. Reiche nam na aankomst van den Gou-
verneur-Generaal het woord en schetste in korte
trekken de aanleiding tot het plaatsen van een ge*
denkteeken waarna hij een overzigt leverde van
de loopbaan des generaals, om ten slotte den Gon
verneur-Generaal te verzoeken, vergunning te wil
len verleenen het monument te onthullen.
Z. Exc. gaf in korte woorden het doel en de
reden zijne? komst te kennen. Door zijn aanwe
zig zijn hier, zeide hij, gaf hij niet alleen een
blijk van hulde aan den overledene, maar een be
wijs, dat bij de diensten van het geheele leger
weet te waarderen. «Wij zullen onzen pligt doen!”
waren de weinige woorden door wijlen generaal
Kohier na afloop der laatste inspectie over het ge
deelte van het leger dat de eerste expeditie zou
uitmakentot den Gouverneur-Generaal Loudon
gesproken, en die woorden moesten, zoo sprak hij,
de leus, het rigtsnoer voor alle militairen zonder
onderscheid van rang of graad zijn. Op een tee-
ken van Z. Exc. werd daarop het dundoek van
het monument genomen en deden andermaal de
liefelijke toonen der muziek zich hooren terwijl
bij het vertrek van den Gonverneur-Generaal het
Wien Neerlandsch bloed werd gespeeld waarmee
de plegtigheid was afgeloopen.
liet sierlijke monument is van marmer en draagt
op de vier zijden de volgende opschriften: aan de
voorzijde: »De Generaal-Majoor J. II. R. Kohier,
Ridder der Mil. Willemsorde 4e kl.bevelhebber
Ie expeditie Atsjin”; aan den regterkant: «Ge
boren Wij zullen onzen pligt doen te Gro
ningen 3 Julij 1818” (de woorden: «wij zullen
onzen pligt doen” zijn met een lauwerkrans om
geven) links boven een gebeeldhouwde Mil. Wil
lemsorde waar de woorden voor moed, beleid en
trouw in gulden letters prijken «gesneuveld”, en
daaronder: «voor Atsjin 14 April 1873”; aan den
achterkant«Zijne weduwevrienden en ver
eerders en zijne kameraden van het Ned. Ind.
leger 1873.”
een woordje tot inleiding. Lezers! van de 19de
eeuw is het drie vierde vervlogen, met het
laatste vierde maakten we reeds een begin.
Werpt, zoo ’t u niet te veel moeite kosteens
een blik op het vervlogen deel dezer eeuw
en vergelijkt het zoo gij kunt, met eeuwen,
die deze voorafgingen. Gij zult moeten erken
nen, dat de 19de eeuw nu reeds waardig mag
gekeurd worden onder de voor de menschheid
belangrijke eeuwen eene plaats in te nemen.
Het is waar, veel wat in deze eeuw tot ont
wikkeling en betrekkelijke rijpheid kwam, werd
in ’t laatst der vorige gezaaidmaar te gelij
kertijd scheen hetof het goede zaad onder
het onkruid zou verstikken. Ja zelfs de eerste
helft der 19de eeuw moest nog verloopen, eer
het zigtbaar werd, hoe het zaad allommewas
ontkiemdhoe de plant levensvatbaarheid en
behoefte om te leven vertoonde. Een nieuwe
geestde geest van onderzoek en openbaar
heid deed zich overal gelden; eerst moest men
hem dulden, daarna hem huldigen. Men moest
hem huldigenook al sprak men hem tegen
ook al vreesde men hem. De geest van on
derzoek toonde zich werkzaam op elk gebied
en wat eeuwen lang op gezag van woord of
schrift voor waar was aangenomen, bleek dwa
ling te zijn en wat er ontdekt werd en gevon
den bleef niet het eigendom eener kaste van
geleerdenmaar er werd haast gemaakt om
het tot gemeengoed te maken van allen. Er
werd meer acht geslagen op de beteekenis
die elk mensch in de rij van ’t geschapene
moet hebben en pogingen werden aangewend
om hem ook werkelijk die beteekenis te doen
erlangen. Er is vooruitgang zigtbaar voor
uitgang blijft gewenscht. Neenwe zijn nog
niet waar we zijn moetende 19de eeuw zal
niet alles doenmaar van haar kan niet ge
zegd wordendat zij werkeloos was. Zij deed
reeds veel en de verwachting is gegrond, dat
zij de door haar aanvaarde taak nog niet zal
nederleggen. Zij kan dat nietomdat een
magt, die in tegengestelde rigting werkt, zich
krachtig tegen haar verzet. Die tegenwerking
houdt haar wakker en werkzaamstaalt en
veredelt haar kracht. Werking en tegenwer
king overal waar de mensch aanspraak maakt
op beschavingoveralwaar de denkende
geest tot zelfbewustzijn kwam.
Lezers! wij zijn kinderen der 19e eeuw. Had
den we bij den aanvang van dit jaar, gelijk
gewoonlijkde woorden geluk en zegen ge
durig in den mondwelnuwat dunkt uis
het geluk en zegenwat de 19de eeuwwat
onze tijd beoogt ’t Is een harde beschul
diging, dat zij een materialistische eeuw zou
zijn dat iseen tijddie alleen belang stelt
in de stof, ja, die de stof aanbidt als een
god. Die beschuldiging heeft zij te danken
aan haar verlangen om te onderzoeken, aan
het onderzoek, dat zij vooral ook op het stof
felijke rigtte. Maar ziet, juist in dat stoffe
lijke vond zij een vasten grond om er de lad
der te plaatsenlangs welke zij tot hooger
kon opklimmendat stoffelijke loste raadsels
op en gaf het juiste antwoord op vragen, die
vóór dat onderzoek beantwoord werden met
rmgtspreuken en onderstellingen. Het onder-