I b 1 i s I I Alléén in de Wereld. 7- M ïx/« 11 1‘1’1’i „J ijd J rjs d Ban i lioeie I rij I l 1 i H' persoonlijk be- uwe voordeelen ,c ‘i—»-Ji-Ji—i—i—i-i-i !C11 ïni Fcd< [ijs Lub’ Kar rv pers sten' gek< gehf bekt Ö01 de c iilaa pu t D maa PÜ Kaïn V koor liepa Lek< kerl baat bies' bievt part ben nog den doch De wein door ivaa: zoog digd beha D lij c ling en e pen. kiaa lat le r lang wijk Di ivedt won >m i ligge icliri inish hand lite ;eru< iprei inaai men tegei >p d tan non, t ;esla er i :ei c num men lone roffi Of au :e, d lend ianw on - h terhi i >nde lalm bet Ier j den eed niet verbiedt, toch een persoonlijk be zwaar daartegen heeft, zonder daarmee ineemg opzicht af te wijken van de leer van dat kerk- g<3 Waarin1 het gemoedsbezwaar bestaat, behoorde genoeg te zijn, daar hierdoor in ieder geval de eed alle waarde verliest. Onbegrijpelijk is het, dat geloovigen, gelijk de redactie van het Gr on. Volksblad, er prijs op stellen dat ongeloovigen gedwongen worden om den eed te doen, daar toch het aanroepen van Gods naam door iemand, die niet aan een God gelooft, voor den onge- loovige bezwaarlijk iets anders kan zijn dan Godslastering. Van hun standpunt moesten zij er integendeel den hoogsten prijs op stellen om zoodanige Godslastering te voorkomen. O verigens is de feitelijke onvrijheid om te kiezen tusschen den eed en de belofte een der ergerlijkste be perkingen der gewetens-vrijheid, welke inons land nog bestaan en, gelijk ik boven aanstipte, in strijd met het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat. De koffiehuishouder van den „Bijenkorf” in de aan de anti- reeds durfde jongen man beklemd om ’t hart de welrie kende geur, welke van die schoone gestalte zoo in zijne onmiddellijke nabijheid opsteeg; de gloei ende blikken uit die fraaie oogen, die onverpoosd op hem rustten; die blanke hand en die heerlijke bloote beneden-arm begonnen zijne zinnen te bedwelmen. Maar hij had een gevoel, alsof dat schoone meisje op dit oogenblik met opzet al hare bekoorlijkheden liet werken en dit oogen blik het beslissende moest worden. Op deze of soortgelijke wijze werd wel meer eene verkla ring uitgeloktwellicht dat zulks ook hier ge schied was, had er voor de oogen zijns gees- tes niet een ander oogenpaar gestaan, dat a«n schoonheid aan de andere niets toegaf, ja deze door zijn geheimzinnigen, donkeren, kinderlijken blik zelfs nog overtrof. „Troost u, baron, gij kent immers het spreek woord: ongelukkig in het spel, gelukkig in de liefde,” zei de gravin. Zij zei dit met een al lerliefst lachje, maar er klonk toch iets gedwon gens in den toon barer stem, iets als een ver, zeer ver verwijderd onweder, een verandering van Venus in Juno. „Gardez la reinegravin.” „O, die arme in ’t nauw gebrachte koningin Gij zijt wel zeer galant, baron, dat gij zoo grootmoedig afstand doet van uwe voordeelen Een verhaal van H. Köhler. VI. (Vervolg.) „Ik zie daar juist dat kleine, sierlijke schaak bord staan, willen we een partij maken?” vroeg de gravin. Een partij!” dat woord trof het oor van den jongen man op pijnlijke wijze, in verband met de herinnering aan het gesprek met zijn vader. „Nu ja, één partij „Ik ben natuurlijk geheel tot uw dienst.” „Waarlijk? Ik meende, dat gij niet van «pelen hieldt.” „O, het maakt verschil welk een partner men heeft,” zeide zij met een fijn, lachje. „Over ’t geheel houd ik er bepaald niet van.” „Ook niet yan het spel met het hart?” po vlammende blik, die uit die fraaie oogen wij zijn anders niet gewoon hetschaak koning in aan te geven.” „Neen, men neemt haar eenvoudig,” zei de tante. „Ik heb daartoe nog nooit kunnen besluiten,” zei de baron met een fijn lachje. „Men moet de gunstige gelegenheid daartoe nooit laten voorbijgaan,” meende de oudere dame. „Ik zal uw wenk ter harte nemen, mevrouw, en zegschaak De gravin verzette een stukhaar hand beefde zij had hare positie op het bord nog slechter gemaakt. Nogmaals schaak en matzei de jonge man„mijn koning is in ’t geheel niet van zijn plaats geweest.” „Neen, dat is hij werkelijk niet,” antwoordde de gravin„hij is te riddelijk geweest om de ko ningin door achteruitzetting te compromitee- ren Zij sprak die woorden uit met een lachenden mond, maar in den toon harer stem klonk een zachte trilling, een met moeite verkropte wrevel. „Die haar ’t meest in gevaar bracht, was een paard.” En het schoone hoofd trotsch opheffende, ging zij opstaan en wierp daarbij eenige stukken omver haar tante wierp haar een waarschuwenden blik tot opheffing der dwangwetten in lerlan. ver- 1 worpen en wel met 83 tegen 30 stemmen.var. nell grondde zijn voorstel op de bewering, W de wet niet in dien geest werd toegepast, waU in zij werd ontworpen en dat de ministers hm e-jH te dezer zake afgelegde belofte niet hadden ge houden. De meerderheid was dit blijkbaar n ei met hem eens. Gladstone nan b ze geh eel heid te baat, om er met nadruk op te 'wjzen, dat op de regeering de plicht rust, de ,et en de orde te handhaven. Geen bedreiging zei de Engelunds eerste minister zal d< deuren der gevangenissen ook slechts één dag eerder doen openen. De regeering wenscht niets lie ver dan de dwangwetten ter zijde te stellen en op te heffen, maar zij zal de haar gegeven macht zoo lang gebruiken, als zij het noodig acht om te beletten, dat de beschaafde maatschappij in de oogen der wereld onteerd wordt. De lersche berichtgever van de Times geeft eenige beschouwingen ten beste over den in druk, welken de lersche Landwet op de onte vreden bevolking zal maken. Het zou een il lusie zijn te geldbven schrijft hij dat de nieuwe Landwet op eens door de lersche pach ters als een afdoende oplossing van de quaestie zal worden beschouwd. Men heeft hun geleerd uit te zien naar een veel krasser oplossing volksleiders, die doorgaan voor gematigd en welwillend in hun oordeel over de wet, geven haar geen hoogeren lof dan die van een „stevig begin”. Er is dus geen grond om te verwach ten, dat de wet in Ierland door de pachters met eenige geestdrift of met veel dankbaarheid ontvangen zal worden.- Men kan den pachters niet euvel duiden, zoo zij de mildste bepalingen der wet niet goed waardeeten en begrijpen, daar menig scherp verstand er door in verwar ring gebracht is. Maar er zijn zekere, bepaal de voordeelen, die zij lang gepoogd hebben te krijgen, en zij zijn slim genoeg om in te zien, dat deze door de wet verleend worden. Waar schijnlijk zouden zij, als men hen aan zich zel- ven overliet, daarmede tevreden zijn. Maar de land-league zal hen niet aan zich zelven over laten. Do volksmenners, die op hunne onte vredenheid speculeeren, zullen, al geven zij toe dat er voordeelen verkregen zijn, hun misnoe gen op nieuw gaande maken en hen aausporen om de concession, die zij aan het Engelsche parlement ontwrongen hebben, tot een grond slag te maken om meer te verwerven en het groote doel te bereiken, hierin bestaande, dat alle land in Ierland het volstrekte eigendom worde van het lersche volk. De mannen, die populair geworden zijn door de agitatie, zullen wanhopige pogingen doen om te verhinderen, dat het land tot rust komo en zij in hunne vroegere nietsbeduidendheid terugzinken. Op een groote bijeenkomst van de land-league, te houden op 15 September, aal uitgemaakt wor den, welke houding dit lichaam tegenover do wet zal aannem'bn. De correspondent meent, dat, indien zooals te verwachten is de houding van de land-league vijandig is, veel z d afhangen van den geest waarin de wet wordt uitgevoerd. Men mag verwachten, dat Gladstone, die de wet trots alle bezwaren tot stand wist te bren gen, ook de moeilijkheden, aan de uitvoering ver bonden, het hoofd zal weten te bieden. Zondag hadden in geheel F r a n k r ij k de verkiezingen plaats. Per telegraaf wordt thans reeds den uitslag, wat de helft der Kamer be treft, gemeld. De republikeinen zijn aan de winnende hand, terwijl Gambetta, zij het met schoot en den jongen man trof, bracht deze bijna in verwarring. „Zulk een spel zou den man van eer onwaar dig zijn.” zei hij op eenigszins onvasten toon, „ik hoop niet, dat gij mij zulks in ernst zoudt toedichten, gravin.” „Dan misschien slechts in scherts,” zei zij op lossen toon, terwijl zij haar handschoen uittrok en met haar sneeuwblanke hand naar de ivoren schaakstukken greep. „Men moet met vrouwen nooit schertsen.” „Dat zegt Goethe’s Mephisto, een man van eene dubbelzinnige waarheidsliefde. Maar wat doet gij daar nu Schaak 1” „Ik zie wel, ik ben verloren, de koning is niet meer te redden.” „Inderdaad, die arme koning! Ik heb hem gevangen, de koningin heeft hem vastgezet.” „Hij geeft zich op genade en ongenade over aan zijn noodlot.” „Dat noodlot is eene koninginzei de gra vin op beteekenisvollea toon; vindt gij dat zoo hard?” „Och Weer plaatste zij de stukken en daarbij roerde haar schoone hand even de zijne aan, en ter wijl zij zich een weinig voorover boog, roerde het welriekende haar zijn gelaat’t Werd den having van de Nederlandsche wapeneer een I versterking der banden tusschen de natie en den aanstaanden Koning. Met de grootste toe wijding stond prins Frederik den opperbevel hebber in die moeilijke dagen ter zijde. De Prins van Oranje vroeg dan ook aan den Ko ning het eerste bewijs van openlijke erkente lijkheid voor zijn broeder, en de Koning ant woordde op die voordracht onmiddellijk door prins Frederik te bevorderen tot grootkruis der Militaire Willemsorde, de eenige benoeming in dien hoogen rang na den Tiendaagschen veld tocht. De Prins van Oranje, die in 1815 reeds het grootkruis der Militaire Willemsorde had ont vangen, werd tot maarschalk benoemd. Luitenant-genenaal baron De Constant Re- becque, de chef van den gencralen staf, die het operatieplan met prins Frederik had ontworpen en had helpen uitvoeren, werd tot grootkruis van den Nederlandscheu Leeuw bevorderd. In zijn artikel in de jongste GüZs-aflevering besluit do kapitein F. de Bas zijn herinnering aan dien voor prins Frederik zoo gedenkwaar- digen tijd met deze regelen „Zoo schitterend erkenden in 1831 Koning en Oranje do verdiensten van prins Frederik der Nederlanden, die in den winter als in de lente en den zomer van zijn werkzaam leven immer den gevierden Oranjestam tot eer, ook nog op hoogen ouderdom, door minzame ver draagzaamheid, door eerbied voor iedere over tuiging, bovenal door onvermoeide en rustelooze plichtsbetrachting, het nageslacht ten voorbeeld blijft „de hoogmoed der natie, de luister van den troon.” Van den trein, die Zaterdag middag 4.40 uit Haarlem naar Amsterdam vertrok, ontspoorde een der achterste wagens. Een der passagiers, de heer D. d. C., die door de angstkreten van onderscheiden passagiers hierop opmerkzaam was gemaakt, kroop, na een vruchtelooze poging om het portier van zijn wagen te openen, door het raampje en wist gelukkig langs den loopplank den machinist te bereiken. De trein werd tot stilstand gebracht en de reizigers kwamen met den schrik vrij. De N. Rolt. Crt. meldt, 22 jl. Hedenochtend omstreeks kwart voor 4 ure is er te Rotterdam brand ontstaan in het pand no. 109, aan de Boompjes, waarvan het gedeelte op den beganen grond en de eerste bovenverdieping bewoond werd door den broodbakker B. J. van den Berg, terwijl het bovengedeelte aan drie gezinnen was verhuurd. In het gezin van den heer van den Berg waren gister avond nevens hem aanwezig zijn zeventienjarige dochter, zijn vijftienjarige zoon en eene nicht, terwijl zijne vrouw met twee jongere kinderen uit logeeren was te Neerbosch. Met de drie eerstgenoemden is hij des avonds uitgegaan en onder anderen in het 'feestgebouw geweest, waarna zij des nachts ten half 2 ure te huis zijn gekomen en onmid dellijk naar bed gegaan. De nicht sliep als ge woonlijk beneden in eene opkamer, de vader in de voorkamer der bovenverdieping, de zoon en dochter in een daarachter gelegen vertrek. Ten ongeveer 3 ure werd de nicht wakker en be merkte brandlucht. Onmiddellijk riep zij aan haren oom, die haastig voor den dag kwam, de bakkerij opende en alsnu zag dat aldaar al les reeds in volle vlam stond. „Roep maar brand!” zeide hij, „dan ga ik de kinderen Warmoesstraat te Amsterdam heeft semieten-beweging, zooals men ze noemen, een einde gemaakt. De Joden mogen weer van zijn bier gebruik maken, doch ’t is de vraag, of ze er nu w« zooveel trek meer in hebben als tijdens de beweging. Toen schenen ze allen dorst te hebben. Tot afstraffing van den dwazen koffiehuis houder, hopen we, dat die dorst va. zijnlokaal bij de Israëlieten voor jioecf gelescht is.. Ily put te voortaan zijn revenuen uit de aanbidders van de anti-semieten-beweging. Zaterdag was het vijftig jaar geleden, dat Z. K. II. prins Frederik der Nederlanden door koning Willem I tot ridder-grootkruis van de Militaire Willemsorde benoemd werd. De toen 34jarige Vorst, zoo leest men m het Vad., had een zeer belangrijk aandeel m de krijgsbedrijven tegen Belgie. Onderzijn leiding en toezicht was het leger voor den strijd ge vormd. De Koning had het voornemen het op perbevel over het leger, dat tegen Belgie zou uitrukken, aan prins Frederik op te dragen maar met allen eerbied voor ’s Konings wil, kwam prins Frederik toch daartegen op. Hij of ferde eigen wenschen, eigen eerzucht om in den strijd voor vaderland en Koning het leger te mo rgen aanvoeren, op, aan de hoogere belangen van -een herstel van den band tusschen den Kroon prins en de natie. „De erfgenaam van den troon mocht geen kommando voeren, zeide de Prins, ondergeschikt aan dat van zijn jongeren broe der, op een gedeelte van het oorlogstooneel, van minder aanbelang dan dat, waar men ’s vijands hoofdmacht zou opzoeken en verslaan. De veld heer van Quatre Bras en van Waterloo is slechts gp zijn plaats aan het hoofd van het Nederland- sche leger. Slechts dan, wanneer de koninklijke .driekleur wappert van zijn legertent, kan Oranje (deelnemen aan den oorlog.” De Koning zwichtte voor het betoog van prins Frederik, die alle bezwaren, welke de Koning aanvoerde, wist te weerleggen. De Prins van Oranje werd met het opperbevel belast,. terwijl prins Frederik zijn ouderen broeder, in diens kommando, behulpzaam zou zijn. Prins Frederiks daad droeg schoone vruchten; hij had goed gezien, dat de Prins van Oranje door zijn toewijding, moed en beleid de liefde van zijn volk geheel zou herwinnen en de uit slag van den strijd was dan ook naast de hand- wekken en den effectentrommel halen.” Dade lijk snelde de nicht heen om binnen en buiten alarm te maken. Spoedig echter had de brand zulk eene uitbreiding verkregen, dat er, naar het zich liet aanzien, weinig of geen hoop op behoud van het huis bestond. Gelukkig bleek het weldra, dat de bewoners der bovenverdie pingen aan de ramp waren ontkomen. Doch inmiddels werd de heer van den Berg met zijn zoon en dochter nog steeds vermist, tot men eindelijk na veel moeite tot de treurige ont dekking kwam, dat alle drie bij de ramp hun dood hadden gevonden. De lijken lagen in de voorkamer op de eer ste verdieping dat van den heer van den Berg in een hoek onder het raamdat van den zoon op eenigen afstand naar dezelfde zijde; dat van de dochter bij den achterwand. Voor zoover men kon nagaan, moeten de drie ongelukkigen door het vuur ingesloten zijn geweest, daar de vlam van de achterzijde naar hen toekwam en er geen uitweg meer langs de trap bestond, ter wijl zij misschien door de vlammen, die tege lijkertijd beneden uit het voorraam opsloegen, verhinderd zijn om naar buiten te komen. Wat er van zij, men vond naast den heer van den Berg den effectentrommel en ia zijne hand den sleutelbos -geklemd. In overleg met den burge meester, die spoedig op het terrein van den brand aanwezig was en onafgebroken er bij is gebleven, werden de lijken voorloopig overge bracht naar pand no. Ill, bewoond door den heer H. Dekker, koopman in kleederen, die hoogst welwillend zijn huis ter beschikking stelde voor de lijkschouwing. Deze werd aldaar verricht door twee geneeskundigen, die consta teerden, dat de drie ongelukkigen waren over leden aan verstikking, zijnde er slechte aan één der lijken kleine brandwonden gevonden. Daar na zijn zij naar het ziekenhuis vervoerd. Het heele pand is verbrand, nagenoeg zonder dat er iets kon worden gered. Bij de drie ge zinnen die het bovengedeelte bewoonden was niets tegen brandschade verzekerd. SNEEK, 23 Augustus. De werkzaamheden aan den stoomtramweg van Bolsward op Sneek zijn aangevangen en zullen, naar wij vernemen, binnen weinige we ken afloopen, zoodat de lijn spoedig voor het verkeer geopend zal kunnen worden. Ook aan de spoorbrug over de Franekervaart alhier wordt thans flink doorgewerkt. Het metselwerk zal wel spoedig zijn afgeloopen. Voor ’t overige schijnen de werkzaamheden aan de spoorweglijn Sneek—Leeuwarden altijd nog minder snel te vorderen, dan voor eene tijdige in exploitatie-brenging daarvan wensche- lijk is. Het wordt dan ook meer en meer be twijfeld, of de lijn wel met Mei ’82 voor het openbaar verkeer zal kunnen worden geopend. Zondag morgen jl. is de nieuwe leeraar bij de Chr. Geref. Gemeente alhier, ds. F. Breitsma, voor het eerst opgetreden. Na in de morgenure bevestigd te zijn door zijnen vader, den heer D. Breitsma te Donkerbroek, naar aan leiding van Matth. 28 vs. 20, deed de nieuwe leeraar ’s namiddags zijn intrede, sprekende over 1 Rom. 1 vs. 16. Beide plechtigheden werden door een talrijke schare bijgewoond. B IIlTM W V A N OVERZICHT. Het Engelsche Lagerhuis heeft jl. Vrij- dag het voorstel van het lersche lid Parnell, V

Kranten in de gemeente Sudwest-Fryslan

Sneeker Nieuwsblad nl | 1881 | | pagina 2