LAAT ZICH PAAIEN SNOEIEN NA ZffiEte HET BLOEIEN HOMMELS boemelen van bloem naar bloem ■h 11 Br Pagina 5 SNEEKER NIEUWSBLAD - Maandag 23 oktober 1978 KARPER <r<f M Weijelia - DE hommels die momenteel in uw tuin van bloem naar bloem boemelen, heb ben recht op een hoffelijke begroeting. Het zijn koninginnen, stammoeders van een eigen hommelvolk. Al in maart zijn sommige van deze koninginnen tevoor schijn gekomen om een geschikte plek komen) geen kans krijgen om zich te laten gelden. De oplossing is in wezen heel simpel, we verwijderen de oudere takken waardoor de jongere de ruimte krijgen. Verjongingssnoei heet dat. Er is een vrij groot sortiment van interessante siergrassen. Een aantal daarvan zullen we wat nader bekijken. Miscanthus sinensis. Een hoog op gaand siergras met sierlijk gebogen groene bladeren en grote wit-bruine pluimen. Geschikt om aan te planten langs vijvers, aansluitend aan heester- of coniferegroepen en om lelijke hoek jes te camoufleren. Van deze soort bestaan een aantal vormen met geel wit gestreepte bladeren. se lucht het nest binnen. Een handige vorm van airconditioning! Elymus arenarius of Zandhaver. Een siergras met blauw-grijze bladeren; wordt ongeveer 60-100 cm hoog. De 30 cm lange aren geven deze robuste plant een speels aanzien. De zandha ver leent zich uitstekend voor de patiotuin en als solitairgroep tussen lagere bijpassende planten. VERJONGINGSSNOEI BEKIJKEN we zo'n struik goed dan zien we aan de voet van de struik soms vanuit de grond jonge scheuten óp schieten of er ontstaan laag op de oude re takken nieuwe scheuten. Is nu de struik in het voorjaar uitgebloeid, dan nemen we de snoeischaar ter hand en knippen de oudste takken zo laag mo- IJVERIGE DOCHTERS NA de bouw vliegt de vorstin erop uit om stuifmeel en nectar bijéén te bren gen in het nest. De nectar stopt ze in een zelfgemaakte honingpot van was. Dit spaarpotje wordt aangesproken als het weer op een voorjaarsdag te koud of te nat is voor voedselvluchten. Het ver zamelde stuifmeel wordt door hare majesteit tot knikkergrote bolletjes ge kneed.Op elk knikkertje legt ze een ei. Als de koningin haar broedsel een dag of vijf warm gehouden heeft, komen de larven uit het ei. Van babyvoeding uit de bloemen groeien de larven als kool. De koningin-moeder draagt af en toe wat nieuw voedsel aan en binnen twee weken verpoppen de larven zich tot volwassen vrouwtjeshommels, tot werk sters. De ijverige dochters nemen hun moeder direct heel wat werk uit handen. Ze vliegen af en aan om voedsel te vergaren voor volgende larvengroepen. De koningin blijft nu verder in haar residentie. Met speciale klieren in haar achterlijf maakt ze was, van die was Helictotrichon sempervirens of sierha- ver. Een ijlgroeiende plant met smalle blauwgrijze bladeren. De gracieus wuivende aren maken dit elegante siergras zeer geschikt om als solitair of in kleine groepjes aan te planten in een patiotuin, heidetuin, border e.d. worden als de struiken zo'n drie jaar oud zijn. Hebt u te maken met een tuin waarin de struiken al veel ouder zijn en een verwaarloosde indruk maken, dan moet u rigoreus te werk gaan. Verouder de struiken ontberen meestal de jonge scheuten die ontstaan als we de struik regelmatig snoeien. Verjonging kunnen we in zo'n geval alleen bereiken door de oude takken vrij kort bij de grond af te zetten. Door dat kortwieken geprikkeld, vormt de plant van onderuit nieuwe scheuten, waardoor eigenlijk een geheel nieuwe verjongde struik ontstaat. voor een nest te zoeken. Heeft zij de ideale nestplaats gevonden -een oud muizenhol, een mollegang of zo maar een holletje in de grond- dan begint ze niet meteen aan haar paleis te bouwen. Misschien treuzelt ze wat, omdat er zo vroeg in het jaar nog te weinig voedsel bouwt ze cellen, in die cellen legt ze eieren. In de loop van de zomer groeit het volk, al wordt het nooit zo talrijk als een bijen- of wespenvolk. Een hommel- koningin heeft nooit meer dan honderd onderdanen. Voor de ingang van een hommelnest zit wel eens een werkster zoemend haar doorzichtige vleugels trillend op en neer te bewegen. Vroeger dacht men dat deze hommel 's ochtends vroeg het volk wakker maakte. Maar de vleugeltrillende werkster is geen wekster. Ze ventileert. Hommel nesten kunnen tot twee meter diep in de grond zitten. In zo'n onder gronds nest bederft de lucht snel, want er vindt bijna geen luchtverversing plaats. De zogenaamde wekkerhommel stuwt met haar vleugelbewegingen ver is de bloei voorbij, dan snoeien we de takken tot op het stammetje weg. In de loop van de zomer ontstaan nieuwe scheuten waaraan het volgend voorjaar de bloemen komen. Festuca glauca of Blauw schapegras. Een zeer fijn siergras, 20-30 cm hoog met fijne blauw berijpte blaadjes. Vormt aanvankelijk ronde pollen die zich later tot een zode aanéénsluiten. Zeer geschikt om groepsgewijs aan te planten als vakbeplanting met een enkele solitair of gecombineerd met passende planten in de rots- of heidetuin. gelijk uit de struik weg. Van die oude takken snoeien we zoveel weg dat er tesamen met de jonge scheuten een redelijk gevulde struik overblijft. Aan de takken die we nu overgehouden hebben zal de struik het volgend voorjaar bloe men geven. Bovendien zullen zich in de loop van de zomer weer nieuwe takken vormen. Die takken gebruiken we het volgend voorjaar om er na de bloei de dan weer verouderde takken mee te vervangen. HOEWEL er al eeuwenlang karpers paaien in onze wateren, zijn deze bekende vissen van huisuit vreemde lingen De karper komt oorspronkelijk uit Azië. Daar bewoonde hij een ge bied dat zich van China, over Mon golië en Siberië tot aan de Zwarte zee uitstrekte. We weten niet precies hoe de karper naar West-Europa geëmi greerd is, al zijn er sterke vermoedens, 't Is mogelijk dat er sprake geweest is van een natuurlijke trek via Donau en Rijn. Waarschijnlijker lijkt het dat de karper tegelijk met het Christendom in onze streken gekomen is. Vissen hebben in het Christendom altijd een belangrijke rol gespeeld, er wordt in het Nieuwe Testament vaak over vissen gesproken. Denk maar aan de wonderbare visvangst en aan de ge bakken vis die Christus na zijn opstan ding in het bijzijn van de discipelen at. HET kunnen hanteren van de snoei schaar begint met het kennen van (in dit geval) de heesters. Er zijn heesters die sterk en er zijn heesters die niet of nagenoeg niet gesnoeid moeten wor den. Hoewel het altijd gemakkelijk is, is het niet per se noodzakelijk de heesters bij naam te kennen. Wel moeten we weten hoe ze groeien en wanneer en aan welke delen van de struik de bloemen verschijnen. Er zijn bijvoor beeld heesters die aan de oudere takken in het voorjaar bloeien en er zijn heesters waarvan de bloemen aan de jonge scheuten in zomer en nazomer tevoor schijn komen. Er zijn heesters die van onderuit de struik nieuwe scheuten vormen en er zijn struiken die hun eenmaal gevormde takkenstelsel aan de uiteinden alleen verlengen en uitbreiden. Op deze aspecten van de struiken moet u gaan letten om wanneer nodig in te kunnen grijpen. Heesters die in zomer en nazomer bloe men krijgen aan de scheuten die vanaf het voorjaar gevormd worden, moeten in maart kort ingeschoeid worden. Vrij algemeen bekend en toegepast is deze snoeiwijze bij rozen, maar ook vlinder- struiken, hertshooi, ganzerik, hortensia, fuchsia, hei e.d. moeten op deze manier aangepakt worden. Mocht u nog niet in de gelegenheid zijn geweest die ingreep te verrichten, dan kunt u dat alsnog doen. Cortaderia selloana of Pampasgras. Een algemeen bekend siergras van flinke afmetingen. Geliefd door z'n grote opvallend zilverwitte pluimen die in de nazomer de plant tooien. Is een zeer geschikte solitairplant. Moet tegen strenge vorst beschermd wor den. Tijdens de grote vervolgingen onder het Romeinse keizerrijk herkenden christenen elkaar aan de vis die ze met de voet in het zand van hun kerker tekenden. De eerste christenen aten geregeld vis en na de instelling van bijzondere vastendagen werd de vrij dag visdag. In vijvers en grachten rond kloosters werd -wordt hier en daar nog- vis gekweekt. Geen wonder dat de karper al spoedig een populaire kweekvis werd: Hij smaakt goed, groeit door bijvoeren hard, is sterk en plant zich snel voort. Er is alle reden om aan te nemen dat de eerste karpers in ons land gebracht zijn door geestelijken die op vastendagen toch graag een smakelijke hap op tafel zagen. Vanuit de kloosterkwekerijen moet de karper dan ontsnapt of uitge zet zijn in open water, waar hij spoedig verwilderde. De eerste kar- permeldingen in ons land dateren van de veertiende eeuw. Bij het stapel recht van Naarden en Leusden wordt de karper onder de vissoorten ge noemd. En uit het huishoudboekje van een Utrechtse bisschop blijkt dat deze op 16 mei 1379 karper at. We gaan verder met de struiken die in het voorjaar na de bloei gesnoeid dienen te worden. Bekende voorjaarsbloeiers zijn forsythia, ribes, spirea, bruids- bloem. Deze struiken krijgen bloemen aan de takken die in de voorafgaande jaren gegroeid zijn. Te oud wordende takken geven op de duur minder bloe men, bovendien raakt de struik te dicht met takken bezet waardoor de jongere takken (waaraan de mooiste bloemen STANDPLAATS DE meeste siergrassen stellen weinig eisen aan de grond. De kleinere fijne soorten geven de voorkeur aan een droge, zonnige standplaats, terwijl de grotere, welig groeiende soorten een vochtiger en voedzamer plek op prijs stellen. De forser groeiende soorten stellen een goede bemesting als voor waarde, maar met stikstof moeten we voorzichtig zijn. Bij teveel stikstof worden de halmen slap met als gevolg dat bij de eerste windstoten de plan ten uitéénwaaien en gaan legeren. En juist dat is jammer omdat met name in de winter de met sneeuw of rijp bedekte planten zo schilderachtig zijn Om die reden moeten we de planten voor de winter zo weinig mogelijk afsnijden. viswater, dat veel hengelaars minach tend voorbijlopen op zoek naar een schone sloot, zit soms meer dan je zou vermoeden, 't Is trouwens tóch zo, dat we meestal geen flauw benul hebben, van wat er onder die geheim zinnige waterspiegel precies rond zwemt. Zo kun je in de paaitijd voor grote verrassingen komen te staan. Al het water uit de sloot kan het vuur niet blussen waarmee karpers paaien. Achtervolgd door opdringerige man netjes laat het vrouwtje haar volle kuitwolken leegregenen. Per pond lichaamsgewicht heeft een vrouwtjes- karper 50.000 eieren en dat betekent dat een tienjarig karperwijfje in de paaitijd zo'n beetje 600.000 eieren kan laten neerdwarrélen. Natuurlijk wor den al deze eitjes niet in één keer ge loosd. De paaitijd van de karpers duurt van mei tot ver in juni. Het wijfje van de wilde karper schiet haar kuit met tussenpozen van een week. Ter wijl de kuit neerregent, stort het mannetje er zijn homvocht overheen. De bevruchting vindt plaats: de ker nen van eicel en zaadcel versmelten. Het wonder gebeurt, de kiem van een jonge karper is gelegd. SIERGRASSEN BIJ het samenstellen van een tuinbeplanting richt de aandacht zich nog voornamelijk op het kiezen van planten met een indrukwekkende kleu renrijkdom.Zo'n uitgangspunt is echter nogal eenzijdig en kan hoog stens leiden tot een overdadige bloemenhof. Bij de plantenkeuze moe ten we beseffen dat het niet om kleur alleen gaat. Ook de vormenrijkdom van de planten speelt een belangrijke rol. En in ons stre ven naar een wat natuurlijker en ongedwongen woonomgeving kunnen siergrassen een interessante rol spelen. Wie oog heeft voor sierlijke vormen, elegante lijnen en ingetogen kleuren, zal gefascineerd zijn door wat siergrassen in dat opzicht te bieden hebben. IN de siergrassen is er een grote variatie. Er zijn soorten die geweldig uitgroeien en soorten die slechts een bescheiden plaatsje innemen. De gro tere soorten gebruiken we alleen staand als solitair, in groepen aanslui tend aan de heesterborder of langs een flinke vijver of waterpartij. De middelhoge soorten zijn in kleine tuinen solitair te gebruiken en groeps gewijs in de border. In de kleurrijke vasteplantenborder dienen ze dan om de soms wat al te felle kleuren wat te verzachten. De kleine siergrassen worden groepsgewijs aangeplant als bodembedekkers met een enkele soli tairplant ertussen, in combinatie met heidesoorten, in de rotstuin e.d. Pennisetum compressum. Een onge veer 50 cm hoog worden siergras met interessante dicht cilindrische aard- pluimen. ONTWIKKELEN IN DE WARMTE HET is niet toevallig dat de paai- plaatsen op ondiepe plekken, langs slootkanten liggen. Daar is het water eerder warm en voor de ontwikkeling van de eitjes is warmte heel belangrijk. Niet voor niets wordt het paaien sterk beïnvloed door het weer. De oude vissen wachten met paaien tot het water de gewenste temperatuur heeft, omdat ze instinctief aanvoelen dat het jonge broed in te koud water geen levenskansen heeft. Zodra de eitjes buiten het moederlichaam zijn, zwellen ze op tot anderhalve milli meter doorsnee. De visselarven ko men uit het ei wanneer de watertem peraturen van verschillende dagen bij elkaar opgeteld, samen plusminus honderd graden bedragen. De piepjonge, doorzichtige larven dra gen aan het onderlijf een dooierzak met 'schoolbrood', reserVevoedsel mee. Daar leven ze de eerste dagen van. Hun eerste drie levensdagen hangen ze stil aan waterplanten, of ze liggen op de bodem. Daarna stijgen ze op naar de waterspiegel en vullen hun zwemblaas met lucht. Als het brood trommeltje leeg is, beginnen de glazen visselarven microscopische algen, ra- derdiertjes en meer van dat soort spul te eten. Op hun beurt worden dui zenden karperlarven gevangen door de kikkers, stekelbaarzen en voorns die zich ook aan het pasgeschoten kuit al te goed hadden gedaan. Zo moet het gaan. Want niet alle karper- tjes kunnen uitgroeien tot de kanjers die hengelaarsharten sneller laten kloppen. AMANDELBOOMPJE OP het snoeien van het amandel boompje (Prunus triloba) willen we nog even apart de aandacht vestigen. In tegenstelling tot de andere sterkersen moet het amandelboompje ieder voor jaar gensoeid worden. Het amandel boompje bloeit aan de eenjarige takken die het voorafgaande jaar gevormd zijn. GOLVEN in de sloot. Machtige karperlijven flitsen langs de groenge- kroesde plompebladeren. Naast plompebladeren die eirond op het water drijven, snijden donkere rugvinnen door de wolkenspiegel. In net vuur van hun geminnekoos vergeten de schuwe karpers alle voorzich tigheid. Ze vertonen zich vlak voor de voeten van de visser die op de oever ademloos toekijkt. Ja, de echte hengelaar is al vóór de eerste juni langs de waterkant te vinden. Hij heeft de jonge rietsprieten op zien rijzen. Hij zag futen baltsen die nu met jongen varen. Vandaag volgt hij het wilde paaispel van de karpers en heel binnenkort.... gooit hij hier zijn dobber uit. HET VOLK STERF UIT GEDURENDE de zomer worden er ook jonge koninginnen geboren. Uit eitjes die door de werksters worden gelegd, komen darren, mannetjeshommels te voorschijn. Vreemd genoeg zijn de eitjes van de werksters onbevrucht, 't Is een raadsel dat er uit die onbevruchte eitjes toch hommels kunnen komen. Als de tijd rijp is, vliegen de jonge koninginnen uit, op de hielen gezeten door paarlus- tige darren. Het bevruchten van een jonge koningin is de enige daad van betekenis in het leven van de mannetjes- hommel. Alle mannetjes, of ze nu gepaard hebben of niet, sterven korte tijd na de bruidsvlucht. In augustus blazen ook de werksters en de oude koningin de laatste adem uit. Alleen de bevruchte jonge koninginnen blijven leven. Ze keren niet meer terug naar het nest, maar kruipen weg op een beschut plekje, een holle boom of onder de grond. Als de jonge koningin in maart ontwaakt, weet ze instinctief precies wat ze allemaal moet doen om een nieuw volk te stichten. Daar sta je versteld van: Zo'n nietig dier, met zo n perfect georganiseerde levensloop. Zou dit het gevolg zijn van dom toeval, van een samenloop van omstandigheden? Het is duidelijk dat ook de hommel een weldoordacht wonderwerk van de schepper is. NIET SNOEIEN GROENBLIJVENDE heesters, heesters die als solitair om hun karakteristieke groeiwijze aangeplant worden, heesters die zichzelf niet of slecht verjongen doordat ze van onderuit geen nieuwe scheuten vormen, moeten niet of weinig gesnoeid worden. Zulke heesters zijn bijvoorbeeld seringen, magnolia, sier- kers, sierappel, gouden regen e.d. Het snoeien blijft bij deze struiken beperkt tot het vormen van goede en regel matige struik, het wegnemen van een lelijk doorgroeiende tak e.d. Met het snoeien van de voorjaars- bloeiende struiken kan/moet begonnen voor haar kinderen te vinden is. Maar op een gegeven moment maakt ze van mos, droog gras en dorre bladeren dan toch de luchtige bal die als hommelwieg dienst zal doen. Van binnen wordt de bol bekleed met grassprietjes en allerlei haren. De koningin treft het, als het holletje vroeger door een mol of een muis bewoond werd, want dan zijn vele bouwmaterialen vaak al voorhanden. c» Qf •o c t r i ER waait een zwakke tot matige zuiderwind over vliegveld Hondsdraf De groengekartelde landingsbanen glanzen in de zon bij een tempe ratuur van achttien graden. Het luchtverkeer wordt met paarsblauwe lichten binnengeloodst. Hommels die brommend zijn neergestreken, vouwen hun vliezige vleugels samen op de rug. Rusteloos taxiën de insekten van bloem naar bloem. Over hun zwarte rompen zijn witte en oranjebruine strepen gespoten. Aan de rand van het vliegveld is de bodem geplaveid met fijngeaderde populierenbladeren, met afgevallen knopschubben en katjes. Eén van de vliesvleugels hobbelt daar naar een gat in de grond: een hangar waar de harige hommel helemaal in verdwijnt. Hommels zijn geen hoogvliegers. Ze weten dat ze met hun dikke lijf in hogere luchtlagen te veel wind vangen en uit de koers raken. Daarom blijven ze liefst dicht bij de grond. Maar dit is niet de enige reden dat je de hommels in metershoge fruitbomen met witte bloesempracht zo wei nig ziet. De bloemen van appel, peer en kers zijn open, de nectar ligt er zo voor het oprapen. Insecten met minder lange tong, bijen, zweefvlie gen en vele andere, komen in zwermen op de ondiepe bloemen af. Temidden van dit honingzuigende gezelschap voelt de hommel zich niet thuis, de concurrentie is hier groot. Omdat hommels bedacht zijn met een zeer lange uitschuifbare tong, kunnen zij de nectar ook uit bloemen met diepliggende bodem peuren. Terwijl korttongiger insekten uit bloemen als dovenetel en hondsdraf geen druppeltje nectar krijgen, zuigt de hommel zulke lipbloemen met zijn uitschuiftong gemakkelijk leeg. Lipbloemigen groeien vlak boven de grond en worden nauwelijks bezocht door concurrenten. Wat zou de hommel dan nog zoeken in die drukke fruitbomen? HET WATER HEEFT GEHEIMEN DE verwilderde vorm van de karper, de zogenaamde boerenkarper, had tot aan het begin van deze eeuw het rijk alleen in ons viswater. Dat veranderde toen de Heidemaatschappij in 1899 karpers begon te kweken en de nakomelingen uitzetten. Boeren- en kweekkarpers vermengden zich en het aantal raszuivere wilde karpers wordt steeds kleiner. Veel hengelaars vinden dat jammer, omdat ze boerenkarpers waarderen als een moeilijk te vangen vechtjas. De wilde karper is een harde jongen, die het ook in minder mooi water lang uithoudt. Groene grach ten, troebele kanalen, vieze sloten achter een boerenerf zijn de wilde karper gauw goed genoeg. In zulk SNOEIEN in de tuin is een bezigheid waarvan bijna iedereen weet dat het moet. Toch blijkt steeds weer dat slechts weinigen er echt raad mee weten. Op het eerste gezicht is dat ook geen wonder. De verschillende groei- en bloeiwijze tussen de uiteenlopende soorten heesters doen ve len zich angstig afvragen wat mag bij deze struik wel en wat mag bij die struik niet weg gesnoeid worden. Menigeen kiest bijgevolg de weg van de minste weerstand en laat het snoeien maar voor wat het is, anderen gebruiken de snoeischaar zoals ze de heggeschaar hanteren en de voorzichtigen snikkeren wat in de marge. Snoeien is niet direct het meest eenvoudige onderwerp om op papier te instrueren. Desondanks willen we een poging wagen om wat inzicht in deze moeilijk lijkende problematiek te geven. 4 w

Kranten in de gemeente Sudwest-Fryslan (Bolswards Nieuwsblad, Sneeker Nieuwsblad en Friso)

Sneeker Nieuwsblad nl | 1978 | | pagina 5