B11 S W. FEUILLETON-NUMMEB. (178.) XII. ting v thrift fericht, BIJBLAD behoorende bij de SHEERER COURANT van ZATERDAG 22 SEPT. 1894. Roman van A. von Klinckowstrokm. by nu ge vrij de kte eu len aar aar ant ver vas ak ten ar- >ok ert ing au- aar ler en, ;ta zjj oor sen as, >id- hij lar liet sen en ge en aar de, plaats van het schurfte schaap uit ons midden te verwijderen, de zaak gesmoord hebben, ten einde in een dergelijk geval op dezelfde ver- schooning te kunnen rekenen/ Aller handen steken zich uit naar de ver kreukelde krant. „Kleine dieven hangt men en groote laat men loopen. Een bjjdrage ter karakteriseering onzer maatschappelijke toestanden/ Dat klinkt immers al bijzonder stichtelijk Stil De naam van den bedoelde is zelfs door de beginletters aangeduid. „De heer F. v. E.“ Wie kan daarmee toch bedoeld zijn Bah Onzin „De heer F. v. E. heeft het zwijgen van het gezelschap gekocht, door een verkla ring te onderteekenen, waarbij hij zich verbond geen kaart meer te zullen aanraken maar heeft niettemin deze in plaats van zijn woord van eer gegeven schriftelijke verklaring ge broken. Hij speelt in ’t geheim op andere plaatsen en blijft ondanks dat alles de man van aanzien, met wien ieder even goed omgaat* Bespottelijk Zoo’n geval heeft zich hier bij ons hoegenaamd niet voorgedaan. Wij zul len een aanklacht tegen het blad indienen/ „Neem me niet kwalijk, er is hier wel is waar sprake van een lid der club, maar nergens wordt gezegd dat het geval zich hier in ons lokaal heeft voorgedaan. Lees ’t maar eens goed na. Het artikel spreekt van een lande lijke partij; van een diner na de jacht, waarna onder een clubje heeren bank gespeeld werd, de stemming geanimeerd en de inzet hoog was. De pen van den schrijver vloeit hier bepaald over van hatelijkheid en bijtende scherpte. Ik bid u, mijneheeren, laten wij niet overijld han delen, maar eerst bedaard overleggen. De ge- heele zaak kan zoo maar niet uit de lucht ge grepen zijn, anders zou die broodschrijver niet zoo gedecideerd optreden/ „Zoudt gij daarmee soms te kennen willen geven dat gij het voor mogelijk houdt dat ie mand uit onze kringen inderdaad valsch heeft gespeeld Wij zijn toch immers allen gentle men „Zeer zeker, wie twijfelt daar dan aan. Maar desniettemin zou het kunnen voorkomen dat de een of andere lichtmis zich onder een halven roes te buiten gegaan was, en daarom vind j ik het onverstandig, de zaak tot het uiterste te I drijven/ „Ik ben er ook voor, de zaak dood te zwij gen,* zegt Offersheim. „Men kan nooit weten, I of er niet nog grootere onaangenaamheden voor I ons uit ontstaan kunnen en doet den schrijver van het artikel waarlijk te veel eer aan, als men notitie van hem neemt/ „Ja, mijneheeren, als hier alleen sprake was van het artikel in den „Nieuwen Koerier* zou I ik u volkomen gelijk geven,* zegt baron Elden, een bejaard, bezadigd man, die een zekere i autoriteit uitoefent op het jongere geslacht. I „Maar, zooals gij ziet, heeft ook een deel der ochtendbladen heden van die sensatie-makende geschiedenis melding gemaakt en daarom zijn wy t aan ons-zelven verplicht, dit gerucht te loochenstraffen en de eigenlijke bron daarvan op te sporen. De aanvangletters passen op verscheidene van ons, en zelfs op mij-zelf, daar mijn voornaam Frans is. Toevallig ken ik den hoofdredacteur van het „Duitsche morgenblad*, dat het artikel eveneens heeft overgenomen. De man heeft eenige verplichting aan mij en is mij in elk geval niet vijandig gezind. Hij zou mij zeker wel een kleine vingerwijzing kunnen geven, als ik hem daarom verzocht. Als de heeren het goedvinden, dan rijd ik dadelijk even naar dat redactie-bureau, om te kijken, hoe ver ik ’t daar onder de hand brengen kan. Tot zoolang dienen wij ons van alle verdere stappen te onthouden/ Onder goedkeuring der aanwezigen gaat hij opstaan om gevolg te geven aan zijn voorstel. Ook Reinhardt staat op, nadat hij er gedurende het geheele opgewonden gesprek zoo stil en schijnbaar zonder eenige belangstelling heeft bijgezeten, alsof de zaak hem hoegenaamd niet aanging. Hij heeft een gevoel, alsof iemand hem een slag om ’t hoofd heeft gegeven doods- delijk mogelijk voor den 'geest, bleek en half bedwelmd hoort hij nauwelijks opgewonden gezichten der jonge meer wat er rondom hem gesproken wordt, 1 -JJ maar loopt tastend naar de deur. Op de cor ridor komt een zijner vrienden hem achterna en legt vertrouwelijk zijn arm in den zijne. „Hoor eens, Erlingen, ik zou graag nog eens met u onder vier oogen willen spreken over die actiën-aangelegenheid, die gij zoo warm hebt aanbevolen. Geheel onder ons: maar beschouwt gij dat nu werkelijk voor zoo’n beste zaak Zooals gij weet bezit ik niet veel en ben dus wel verplicht mijne inkomsten langs kunstma- tigen weg te vermeerderen. Als gij dus ver trouwen steldet in die onderneming van de zilvermijnen en daarin zelf sterk betrokken zijt, dan zou ik er mijn kapitaaltje ook wel in wil len steken/ re zaak. In de leeszaal vindt hij reeds een aantal heeren bijeen, die er ’s voormiddag® ook waien en er door denzelfden aandrang weer naar toe gedreven zijn. Baron Elden ontbreekt intusschen nog. Nu hij eindelijk binnenkomt richten aller oogen zich vol verwachting op hem. Zijn gelaat voorspelt niet veel goeds en wenkt een beetje ongeduldig met de hand, men hem met vragen bestormt. „Jawel, ik ben aan het redactie-bureau vau „het Duitsche morgenblad* geweest,* antwoord de hij. „De hoofdredacteur spijt het erg, zich mede in die onaangename zaak verwikkeld te hebben, maar heeft toch in zooverre correct ge handeld, door er uitdrukkelijk bij te vermel den, dat hij het artikel uit den „Nieu wen Koe rier* heeft overgenomen. Hij ried mij echter als geheel nutteloos af, ook aan de redactie van laatstgenoemd blad een bezoek te brengen, om dat ik daar toch hoegenaamd geen inlichting zou krijgen omtrent den persoon van den allo niemen schrijver. Dat blad baseerde minder op abonnees, dan wel op verkoop langs de straat, en had daarom behoefte aan sensatie-artikels, waarvan de zoogenaamde redactie van stroo- mamien vervolgens de verantwoordelijkheid op zien neemt, op deze wijze al de onbekende senrij vers dekkende. Hij stelde mij echter voor, om, als ik er een vijftig a honderd mark voor over had, onder de hand door een agent met het blad te onderhandelen, en verzocht mij als dan na verloop van een paar uurtjes weer bij hem te komen. Daarop werd een kerel geroe pen met het geslependste gezicht dat ik ooit gezien heb, en aan hem werd de opdracht ge daan, zich naar het hol van den „Nieuwen Koerier* te begeven „Welnu? en het resultaat?* „Was niet bijzonder gunstig. Toen ik punctu eel na verloop van twee uren het redactie- bureau van het „Duitsche morgenblad* weer binnentrad, vond ik er den agent reeds. Men schijnt bij den „Nieuwen Koerier* bijzonder zeker te zijn van zijn zaak; althans men had hem spottend afgewezen, en op de bedreiging met eene gerechtelijke vervolging geantwoord, dat men die oogenblikkelijk zou beantwoorden met het publiceeren van de namen van al do betrokken personen. De vraag is nu, zullen we ’t daarop laten aankomen „In geen geval!* roept Reinhardt uit. „Wie dan ook mogen genoemd worden, zullen wij namen, die een goeden klank in de wereld hebben, openlijk door ’t slijk laten halen Volgens mijn beschouwing is ’t er hier alleen om te doen om geld af te persenmaar wij moeten t komen aanbieden, opdat men van den anderen kant niet met de strafwet in aanrakin°' zou komen/ w „Ik ben ’t met Erlingen ééns,* valt de kleine Vessels hem bij. „Laten we maar betalen en de zaak is afgedaan/ I „En wie staat er ons voor in dat zij binnen korter of langer tijd niet weer opleeft en men in onze bereidwilligheid om te betalen geen bekentenis zien zal, waarvan partij te trekken is Ik ben van gevoelen, dat wij in de eerste plaats volkomen op de hoogte van deze zaak dienen te zijn en moeten weten, waaraan wij ons te houden hebben/ „Natuurlijk Mijnheer van Elden heeft vol- komen gelijk valt het meerendeel der aan wezigen den laatsten spreker bij. „Wij verlan gen klaren wijn/ „In de onderstelling dat gij met mij van het zelfde gevoelen zoudt zijn, ben ik nog een stap verder gegaan, dien gij, naar ik hoop, ook zult billijken. Ik heb den agent het dubbele gebo- den, als hij mij onder de hand, met voorbijgaan van de redactie van den „Nieuwen Koerier* den naam van den bedoelden persoon en dien van den schrijver van dat schandelijk artikel bezorgt/ i Reinhardt voelt, hoe het koude zweet hem op het voorhoofd komt. „Het zal geen succes hebben,* werpt hij er, half tot troost voor zich zelf, tusschen. „Die lui houden ’t allen met elkaar. De man zal uw geld aannemen en in I zijn vuistje lachen/ „Nu, dat zullen we zien. Voor ’t geval hij heden nog iets gewaar kon worden, heb ik hem gelast, mij hier van avond tusschen negen en I tien uur op te zoeken. Hoe laat is ’t nu „’t Is kwart over negen/ Een pijnlijke stilte volgt op het levendig ge sprek. Verscheidene heeren, wien de zaak ver- der niet interesseert en die buitendien niet veel esprit de corps bezitten, voelen eigenlijk groote lust naar de speelzaal te gaan maar nieuws gierigheid, om te vernemen hoe de zaak zal uitpakken, houdt hen nog terug. I „Nogmaals, baron Elden,* aldus breekt Rein- i hardt eensklaps het zwijgen af, „hebt gij wel j overdacht dat ’t de zaak slechts minder maken kan, als iemand als dien agent er ook mee in I betrokken wordt en een naam verneemt, die „Ik kan slechts herhalen, wat ik straks ge- I zegd heb.* I „Tot welk bedrag hebt gij er dan in deel genomen „Voor tachtigduizend mark/ „DrommelsDat’s veel voor u, dunkt me. Dan wil ik ’t ook risqueeren.* Reinhardt antwoordde verstrooid en weet een oogenblik later niet meer, wat de andere vraagd heeft, zoodat deze het opmerkt en moedig zegt„Och, die dwaze geschiedenis met dat krantartikel maalt u zeker nog in ’t hoofd? Ik beschouw het als een vervloekte leugen en ben er bepaald voor, den kerel, die het ar tikel geschreven heeft, behoorlijk op zijn plaats te zetten/ „Neen, neen! Geen water vuil maken! Doodzwijgen In elk geval doodzwijgen „Men zou bijna gaan denken dat gij ’t voor mogelijk hiel It, dat er werkelijk iets van waar was. Zeg dan maar oprecht, wie van ons houdt gij voor een bedrieger Ik kan er heel gela ten met u over spreken, daar er van mij de genoemde initialen in aanmerking genomen geen sprake kan zijn. De eenige dien ik er misschien toe in staat zou achten, zou zijn „Nu, wie dan Noem nu den naam toch!* roept Reinhardt opgewonden uit, nu de andere plotseling afbreekt. „Neen. Ik stond op het punt, een kolossale onvoorzichtigheid te begaan, welke gij mij mis schien erg kwalijk zoudt genomen hebben. Men moet voorzichtig zijn met namen. Het schoot mij zoo maar te binnen, omdat ik den bedoelden persoon, ondanks een zekere intelli gentie, wat zijn geest aanbelangt niet als geheel normaal beschouw en omdat de letters zoo bij zonder goed daarbij passen/ Reinhardt zwijgt, want hij weet heel goed wien de andere meent en voelt zich evenmin in staat, die meening met kracht te bestrijden en zijn eer te verpanden voor een slechte zaak, als hem ook maar door een enkel woord bij te vallen. „Gij slaat door, mijn goede Wessels zegt hij eindelijk, min of meer ruw zijn arm terugtrekkende. „En gij doet werkelijk goed, geen namen te noemen. Ik zou er althans wel op passen, eene beschuldiging uit te spre ken, die onfeilbaar, zelfs tusschen de beste vrienden, ernstige gevolgen zou kunnen heb- ben. Ziezoo hier staan huurrijtuigen. Ik ga per rijtuig naar huis/ De kleine Wessels, zooals hij bij zijn ken nissen algemeen bekend is, roept hem nog toe „gy komt van avond nog wel even in de club Wij moeten toch weten, hoe Elden ’t gemaakt heeftEn vervolgens kijkt hij hem met nieuwsgierig onderzoekende blikken na, terwijl hij in zich zelf bromt„Ik zou wel durven wedden dat hij er precies zoo over denkt als ik, maar enkel uit familie-consideraties zijn gedachten verzwijgt/ Reinhardt rijdt intusschen zoo snel mogelijk I naar huis. Zich naar zijn kamer spoedende, sluit hij de deur en opent met bevende handen I zijn schrijftafel. Daar ligt, in het eerste vak links, de roodlederen portefeuille, welke zijn I belangrijkste papieren bevat en waarvan hij I den sleutel, behoudens die van zijn schnjf- I tafel en van zijn kast met familiepapieren steeds in een zelfden ring bij zich draagt. Het slot I vertoont hoegenaamd geen enkel spoor van be- ieediging^ en gaat even gemakkelijk open als I altijd. Er is dus blijkbaar geen vreemde hand aan geweest. Ook de papieren liggen allen nog zoo, als hij ze de laatste maal, al lang gele den, gerangschikt heeft. Met een zucht van I verlichting haalt hij het blad papier te voor schijn, ’t welk hij reeds vreesde niet meer te zullen vinden. GoddankDaar is ’t. Nog altijd goed bewaard. Van zijn kant althans had er geen indiscretie plaats gehad zelfs niet eene die door nalatigheid zou kunnen ontstaan zijn. Eerst nu gevoelt hij, met welk een fol terenden angst die gedachte hem vervuld heeft. Bij ’t zien van al die handteekeningen, die hem van dat vel papier tegengrijnzen, staat de pijn- I fe scène op Karschöwen hem weer zoo dui- Hij ziet de - - jOo mannen en te midden van hen Frits met zijn benepen en toch boos gezicht, als een bestrafte schooljongen. Zij hebben allen hun woord van eer gegeven te zullen zwijgen, en als er nu daarvan’ toch iets publiek geworden is, dan moet een van hen zijn woord hebben gebroken. Maar wie kon dat toch zijn Er is niemand onder, van wien men zooiets zou kunnen denken en toch schijnt het niet anders denkbaar, als dat er een ver rader onder was, wien zijn eigen woord en de eer zijner standgenooten niet heilig was. Reinhardt sluit het vel papier weer zorgvul dig weg. Hij brengt den dag in een pijnlijke onrust door. Deze drijft hem ’s avonds weer naar de club. Misschien dat er iets gebeurd is wat in staat is licht te brengen in deze duiste- j 12.) Met storm en aanhoudende regenperiodes is de lente geëindigd, die zoo zonnig begon. In den Thiergurten welft zich een dicht bladeren dak boven schaduwrijke allée’s, en de toenemen de zomerwarmte drijft reeds velen de stad uit naar badplaatsen en landhuizen. In de club zijn de vertrekken lediger als anders. Vele harer leden laten paarden loopen bij de groote wedrennen te Hamburg en Baden-Baden en hebben met hun renstal tegelijk de stad den rug toegekeerd. Wie thuis blijft doet dit enkel uithoofde van dringende zaken en het zijn grootendeels heeren uit de finantieele wereld en beursspeculanten, die zich aan het tooneel van actie niet kunnen onttrekken, want gedurende de laatste weken is het er bijzonder warm toe gegaan. De zilvermijn-actiën hebben met een sterken tegenstroom te worstelen gehad en zijn niet zoo snel gestegen als men verwacht had ja, er zijn zelfs stemmen vernomen die de ge heele onderneming een zwendelarij noemden. Dat was een tijd van zenuwachtige spanning en knagende zorg voor Reinhardt, die, als hij een krant opensloeg, nog maar alleen de beursbe richten las. Allengs echter, tengevolge het doortasten van verscheidene buitenlandsche bankiershuizen, is er een betere meening ont staan omtrent die zilvermijnenhet publiek I begint er zich voor te interesseeren, en onder den gestadig toenemenden kooplust gaat de koers spoedig omhoog en beheerscht al meer ®n meer de geldmarkt. Mira triomfeert, en terwijl de winst met eiken dag stijgt, vergeet ook Reinhardt den pas doorstanen tijd van angst en voelt hij zich meer en meer bevangen door den koortsachtigen roes van den gelukkigen I debutant, die voor de eerste maal zonder eenige I moeite binnen enkele dagen méér wint dan hij I gedurende lange jaren langs den gewonen weg zou hebben verworven, en daar zijn handels- vriend hem op ’t hart heeft gedrukt, zooveel als mogelijk is propaganda te maken voor de zilvermijnen, voldoet hij nu aan die opdracht in de club met het meeste genoegen, want het doet hem pleizier van een succes te kunnen spreken en buitendien gunt hij zijn vrienden van harte ook een dergelijk voordeel. Het geeft hem bepaald een groote voldoening, ver- seheidenen van hen te hebben bewogen, aan deze buitengewoon gunstige onderneming deel te nemen. Ervaren mannen van het vak schud den wel is waar het hoofd en raden het af, maar de feiten pleiten voor Reinhardt en hij verdedigt zijn zaak met warmen ijver, vast overtuigd zijn vrienden een dienst te bewijzen. Terwijl het- verschil van meening hierover Mog voortduurt, treedt Offersheim met veel drukte binnen en smijt met een gewichtig gelaat een pakje kranten op tafel. „Hebt gij ’t al gelezen, mijneheeren?* „Wat dan „Dat schandalig artikel in den „Nieuwen Koerier/ „Neen, dergelijke schendbladen lezen wii met/ J „Maar er zijn ook andere bladen die het artikel hebben overgenomen/ „Zoo waarover handelt het dan „Loop toch heen met uw eeuwige nieuwtjes, me, op de keper beschouwd, nooit de moeite Waard zijn er over te spreken/ „Maar, mijneheeren, het geldt hier een smaad, me ons allen treft/ „Laat dan eens zien/ „Hoe komt gij toch aan die bladen, die men n Ar-11 ^atso.enDjk huis op tafel wil hebben „Mijn bediende bracht mij van morgen al /.voeg dit exemplaar van den „Nieuwen Koe- mr van gisteren, in de zeer juiste onderstel- mg, dat de inhoud daarvan mij zou interes- Ie6rt°’ ^mister maar eens naar de pikante geschiedenis. Een lid van onze club, onze e ub wordt wel is waar niet direct genoemd aar zelfs door het noemen der straat duidelijk aangeduid, dat geen vergissing ‘3 een der onzen dan wordt be- ,/Umigd van bedrog bij het spel. De strek- van het artikel blijkt reeds uit het op- „Groote dieven,* en is tegen ons allen want men beschuldigt ons dat wij, in

Kranten in de gemeente Sudwest-Fryslan (Bolswards Nieuwsblad, Sneeker Nieuwsblad en Friso)

Sneeker Nieuwsblad nl | 1894 | | pagina 5